Praktijk voor Orthomoleculaire Therapie

DNA

DNA is de belangrijkste drager van ons erfelijk materiaal. Een DNA-streng moet je zien als een soort verzamelpakket van bijna al je erfelijke informatie. Deze pakketten zijn opgebouwd uit afgebakende kleinere stukjes DNA die genen worden genoemd. Elk gen bevat de informatie voor de specifieke vorming van een eiwit. Zij geven al je erfelijke eigenschappen door, zoals je haar- en oogkleur.

DNA komt voor in iedere cel van ieder mens, dier, plant en schimmel. Het bepaalt grotendeels wat er gebeurt in je lichaam: het is als het ware het ontwerp voor je bestaan. Binnen in het DNA zit een genetische code die voor iedereen uniek is. 


DNA code is in veel opzichten te vergelijken met een kookboek in een bepaalde taal. De taal wordt door alle levende organismen (over)geschreven en ‘gelezen’. De verandering van 1 stofje kan soms al een totaal andere betekenis aan een ‘recept’ geven. Denk maar aan een recept waarin ‘geen’ in plaats van ‘één’ ei staat.

In sommige gevallen kan een gen een ziekmakende eigenschap blijken te bevatten of juist één die beschermend werkt en soms zelfs allebei tegelijk.


Genetische defecten en epigenetische aanpassingen

Erfelijke aandoeningen  zijn aandoeningen met een genetisch defect (afwijkingen in de ‘hardware’ van het DNA) die we aanduiden als mutaties en SNP’s.

SNP’s zijn verantwoordelijk voor de genetische variatie bij de mens. Spontane mutaties liggen aan de basis van de evolutie van het planten- en dierenrijk. Er zijn 17 miljoen verschillende SNP’s bekend en gemiddeld heeft een persoon zo’n 2000 SNP’s.


Genen reguleren de aanmaak van lichaamseigen stoffen zoals neurotransmitters, hormonen, eiwitten, enzymen en receptoren. Dit wordt het ‘coderen’ genoemd: de genen coderen de aanmaak van deze eiwitten.

Onze genen hebben informatie nodig om te weten hoeveel lichaamseigen stofjes ze moeten aanmaken. Als je bijv. iets zoets eet, maakt het lichaam insuline vrij, anders zou de bloedsuikerspiegel te hoog worden. Deze informatie wordt aangeleverd door een arsenaal aan helpers, informanten en andere stofjes. Al deze stofjes informeren de genen over de toestand waarin het lichaam zich bevindt. 


Worden de genen gedurende langere tijd blootgesteld aan een abnormale hoge belasting (troostvoeding, alcohol, stress, medicatie) dan verminderen ze hun expressie in een poging om de abnormale toestand te normaliseren.

De meeste epigenetische aanpassingen zijn een poging om het evenwicht te herstellen.

Deze epigenetische aanpassing kan tijdelijk zijn, zodra de omgeving min of meer ‘normaal’ wordt, herstellen de genen hun expressie. In sommige gevallen (zoals langdurige veranderingen in de omgevingsfactoren) besluiten de genen over te gaan tot een meer drastische aanpassing. De genen veranderen hun software als reactie op hun omgeving en slaan die verandering op in het epigenetisch geheugen. Dit heet epigenetische adaptatie.

Bij epigenetische adaptatie geven de genen de nieuwe informatie door aan de volgende generatie.


Voorbeeld:

Ouders die insulineresistent zijn, geven de insulineresistentie of de verhoogde aanleg om insulineresistentie te ontwikkelen door aan hun kinderen. Kinderen erven dus zowel de SNP’s (genetische defecten) en de epigenetische adaptaties.


Epigenetische adaptaties die de werking van dopamine benadelen vormen een belangrijke oorzaak waarom de bevolking elke volgende generatie verzwakt en alsmaar meer chornische aandoeningen ontwikkelt. 


Wil jij weten welke belangrijke SNP's bij jou zorgen voor een vertraagde of versnelde expressie? Vraag dan naar de mogelijkheden van een DNA test.

unsplash